In juni 1910 sloot een voetbalploeg van het kleine Edegem officieel aan bij de Belgische voetbalbond. F.C. Belgica, zo werd de club genoemd, kreeg het inschrijvingsnummer 375 en zou gedurende het voetbalseizoen 1910-1911 de eerste stappen zetten, die haar iets meer dan 20 jaar later, nl. in de speeljaren 1933-1934 en 1934-1935 zouden brengen tot een plaats in de hoogste, zegge de ereafdeling: een merkwaardige opgang, die verwondering, verbazing en ook wel nijd verwekte bij talrijke andere clubs van grotere gemeenten en diverse steden.

Ter gelegenheid van de jubileumviering op 9, 15 en 16 augustus 1959 hebben enthousiaste Edegemennaars destijds de historie van 50 jaar F.C. Belgica in een mooie, gedegen brochure van meer dan 100 pagina’s uiteengezet.

U kunt de vraag stellen: “waarom werd reeds in 1959 dit gouden jubileum gevierd?” Wel heel eenvoudig. Vóór dat in 1910 een aansluiting werd aangevraagd bij de officiële voetbalbond, bestond de club reeds een tweetal jaren; ze werd nl. gesticht op 8 juni 1908. Gedurende die 2 jaren werden de fundamenten gelegd om het Belgica-gebouw stevig te verankeren naar de toekomst toe.

De vermelde brochure, ingeleid door ere-voorzitter van het feestcomité, Fr. Van Weert, door notaris Gaston Adriaensens, toenmalig burgemeester van Edegem en door pastoor Goossens, werd verder opgesteld door voorzitter Frans Van Gysel en door Coveliers en Bosmans, die aan de stichting, of aan de opgang als bestuurslid van de club hadden meegewerkt. We kunnen de met zoveel zorg opgestelde teksten van deze lijvige brochure noch verbeteren, noch aanvullen. Wel willen we in de ons voorgenomen geschiedkundige bijdrage over “den Belgica” niet alleen de jaren vóór maar ook deze na 1959 belichten, alsmede enkele historische of anekdotische feiten van vroeger wat meer in de verf zetten.

Om de evolutie die de Edegemse club doormaakte beter te begrijpen, zien we ons nochtans verplicht aan plagiaat te doen met de brochure als leiddraad. Daarom moeten we dit historisch overzicht beginnen van bij het ontstaan van Belgica en verder de markantste feiten aanhalen die de opgang hebben gekenmerkt. Eén van de weinigen die ons voldoende kon documenteren was Albert Verbeeck, jarenlang voorzitter van de club met een documentatie om van te dromen met archieven, verslagen, persartikels en een oneindig aantal foto’s die het verleden en heden van deze roemrijke voetbalclub weerspiegelen. Albert Verbeeck was ten andere een attractieve, geniale, ijvervolle en door de tegenstanders gevreesde speler van diezelfde club en dit van het seizoen 1935-1936 af, toen het fanionelftal met een vijfde plaats in de eindrangschikking van eerste afdeling nog altijd furore maakte. Na zijn spelersactiviteit die 33 jaar duurde, dus tot 1968, bleef hij zijn club steeds trouw, vervulde allerlei bestuursfuncties en was van 1974 tot aan zijn overlijden in 1996 voorzitter van de vereniging. 

 Volgens de archieven, in het bezit van A. Verbeeck, werd de club gesticht in 1908. Enkele jeugdige voetbalminnenden uit Edegem, op dat ogenblik nog een vrij landelijke gemeente, vergaderden op zekere dag in het “Café de la Station”, recht over het toen bestaande Edegem-station aan de huidige Boniverlei.

Alfons De Laet, Bertrand en Raymond Jacobs, Emiel Geenrits, Marcel Van Loock, Jos de Ryck en Firmin de Paus, de waard van de herberg, waren de stichters van de vereniging die de naam “Edegemse Footballclub” kreeg.

Stilaan kwamen enkele snelle jongens zich aanmelden zodat een elftal kon gevormd worden met zelfs een paar reservespelers. Er was natuurlijk wel enig scepticisme bij het Edegemse publiek dat niet kon veronderstellen dat een voetbalclub in die kleine gemeente zomaar van de grond zou komen. Maar dat publiek kwam bedrogen uit toen de stichters van de vereniging de beschikking kregen over een terrein, een driehoekig stukje grond in de Boniverlei, rechts van de spoorweg en met links het park van kasteel Gevers. Geld was er voorlopig nog niet, maar de voetbalspelers die nu toch al konden oefenen, zorgden zelf voor de onontbeerlijke uitrusting: oude schoenen en zwarte truien met daarover een met toespelden vastgemaakte gele band. Het terrein was natuurlijk niet veel zaaks, te klein, te hobbelig en zeker niet voorbestemd om definitief voetbalveld te blijven. Een paar maanden later was iedereen dan ook blij verrast toen een braakliggend terrein aan de Mechelsesteenweg werd aangeboden. Intussen was er ook reeds langs diverse zijden wat geld verzameld zodat iedere speler kon uitgerust worden met een voetbaltenue en deftige schoenen en truien. Van dan af kon begonnen worden om een elftal samen te stellen en reeds toen waren er selectieproblemen want men had enkele zwaartillende beraadslagingen nodig om tot een opstelling te komen.

Enkele weken later kreeg de club moeilijkheden met herbergier Paus en er moest uitgekeken worden naar een ander lokaal dat alras gevonden werd in “Hotel St. Antoine”, bij Jacobs, die een fervente supporter was van de club en het altijd zou blijven.

Volgens de archieven vond er reeds in 1909 een voetbalontmoeting plaats tussen de Edegemse ploeg en deze van Oude God, die toen ook pas zou gesticht geweest zijn. De match werd gespeeld op een terrein achter de herberg Vera Paz, die gelegen was tegenover het vroegere Oude God-station. Kort nadien had ook de returnmatch plaats en beide ontmoetingen werden met klank door Edegem gewonnen. Van in den beginne bestond er reeds een zekere animositeit tussen de clubs van de twee buurgemeenten, nochtans er is nooit sprake geweest van hooliganisme, maar het is een feit dat tussen supporters van beide elftallen, bijzonder in de latere periode toen ze in dezelfde afdeling speelden, menig hartig woordje werd gewisseld maar tot rellen is het nooit gekomen en alles bleef bij enig verbaal geweld

In de periode van kort voor de oorlog 1914-18 waren er in het Antwerpse talrijke voetbalclubs ontstaan tegen dewelke Belgica regelmatig oefenwedstrijden speelde waaronder Kontich, Berchem, Boom, Rupel, Lier, Lyra, Willebroek, St. Nikaas en Union sportive Anversoise. Buiten laatstgenoemde zijn alle andere clubs nog bestaande. Het was dus ook in die periode dat voor de naam “Sporting Football Club Belgica” werd gekozen.

Het voetballersteam groeide gestadig en, Jos de Ryck, voorzitter sinds 1909 kreeg Frans Van Gysel als secretaris die ervoor zou zorgen dat de club de allures kreeg van een te duchten tegenstander en die tot aan zijn dood in 1962 niet weg te denken was uit “den Belgica”.

Beslommeringen van allerlei aard, voornamelijk financiële dan, hebben in die tijd en ook nog vele jaren later het bestuur genoodzaakt steun te zoeken bij de Edegemnaren die wat beter bij kas waren; de spelers werden niet betaald maar de schoenen en de kledij dienden regelmatig vernieuwd; de huur van het voetbalterrein moest betaald worden en de onkosten van de reizen naar dikwijls ver afgelegen stadions liepen hoog op. De verplaatsingen gebeurden gewoonlijk per trein; vergeten we niet dat Edegem toen en dit tot in de dertiger jaren een spoorwegstation rijk was. En om de clubkas een weinig te spijzen werden er regelmatig toneelspelen opgevoerd die soms volle zalen lokten.

Later kwam op financiëel gebied wat meer ruimte door de gemeentelijke subsidies en de inkomsten van de toegangsticketten. Dank zij deze vooruitgang en het spelerspotentieel werd in 1910 beslist om aan te sluiten bij de Belgische Voetbalbond.

Gedurende de eerste wereldoorlog kwamen de sportevenementen in het ganse land op een laag pitje te staan en er werd nu en dan tegen een vriendeploeg gespeeld of deelgenomen aan tornooien. Alle ploegen kwamen uit het Antwerpse zoals Beerschot, Antwerp, Tubantia, Brasschaat, Patria, Amical Merksem en Union sportive Anversoise. F. C. Belgica kreeg meer en meer naambekendheid zeker na het zegevieren met twee elftallen in de “Schaal Tubantia” die in de plaats was gekomen van de nationale competitie. In 1916 kon gespeeld worden op een nieuw terrein, dus reeds het derde in de reeks, op een perceel gelegen tussen de Lentelei en de Victoriastraat. In deze sombere na-oorlogse tijden waren er weinig ontspanningsmogelijkheden en de toneelstukken als welgekomen afleiding, gewoonlijk onder regie van F. Van Gysel, kenden groot succes samen met een ander initiatief van het bestuur, de uitgave van een sportblad, dat door de sportieve Edegemnaars met enthousiasme onthaald werd. Het blad verscheen bij tussenpozen onder de naam “Onze rood-groenen”, en al scheen het uiterlijk niet veel zaaks, de inhoud deed de supporters steeds naar een volgende nummer trachten. Alle activiteiten van de club kwamen hierin aan bod zoals de bijeenkomsten, de trainingen en de matchen, de wedervaardigheden van de spelers tijdens de wedstrijden met hun tekortkomingen en hun blunders, maar meer nog hun foutloze intercepties, hun goed verdedigingssysteem en natuurlijk de “grandioze” goals van de uitblinkers. Voor de clubkas was dit een goede zaak want het blad diende door de lezers betaald te worden en enkele pagina’s werden voorbehouden voor publiciteit zodat hier ook een graantje werd meegepikt.

Het duurde nog tot in 1924 vooraleer Belgica de naweeën van de oorlog was te boven genomen en de club startte in de provinciale competitie om meteen kampioen te spelen en het seizoen 1925-1926 in tweede afdeling aan te treden. De triomfen hielden niet op en als voorbeeld kunnen we monsterscores vermelden in wedstrijden tegen o.a. Edegem-sport, 20-0, tegen Hoboken V.V., 11-0, met als voornaamste doelpuntenmakers Frans Van Weert (63), Goor Hellemans (52), zijn broer Gust (35) en Flor Luyten (29). Na het seizoen 1928-1929 promoveert Belgica naar bevordering met een score van 135 goals voor en 34 tegen.

Belgica ging op zijn élan verder en er werd doorgestoten naar hogere afdeling en na overwinningen op de ernstigste rivalen Oude God en Hoboken steeg de club na het seizoen 1929-1930 naar eerste afdeling. Het volgende jaar eindigt voor Belgica met een verdienstelijke zevende plaats en dat tegen beroemde clubs zoals Anderlecht, Gantoise, Berchem, Verviers enz. Stippen we terloops aan dat de reserven kampioen speelden en dat de juniors ook de titel veroverden met onder meer een overwinning tegen R.C.Mechelen met 27-0.

Daarbij was het seizoen 30-31 voor enkele Belgicaspelers van enorme draagwijdte. Doelverdediger Frans De Mondt speelde tweemaal als een echte grote in de nationale militaire ploeg nl. tegen Frankrijk en tegen Engeland. Florent Luyten en Armand Verbeeck werden opgeroepen voor de nationale B-ploeg tegen Nederland en scoorden tweemaal en August Hellemans was tweemaal center-voor in dezelfde ploeg en speelde vervolgens tweemaal in het nationale elftal tegen Portugal in Lissabon en tegen Polen in Warschau.

Gedurende het seizoen 1932-33 kwam Belgica dus voor het derde jaar uit in eerste afdeling en tegenstanders zoals Anderlecht, St. Niklaas, Gantoise en Oude God-sport werden ingeblikt met respectievelijk 5-1, 6-1, 4-1 en 5-0. In de laatste match werd Tubantia verpletterd met 8-0 en de Belgicaspelers werden de titeldragers in eerste afdeling en vatten daarmee gedurende het seizoen 1933-34 post in ere-afdeling.

Het werd een harde dobber in ‘s lands hoogste reeks maar de club kon zich handhaven met ald eindbalans 11 gewonnen wedstrijden, 4 gelijke spelen, 14 nederlagen en een doelsaldo van 80 voor en 80 tegen. Het seizoen 1934-35 was een jaar vol tegenspoed waarin de vermoeide spelers het niet waar konden maken met de degradatie als gevolg. Pleister op de wonde was de kampioenstitel voor de juniors die, ter illustratie, dat jaar van Antwerp wonnen met 30-0 en waarin Albert Verbeeck, de latere voorzitter, die ook furore zou maken in het eerste elftal, één van de uitblinkers was.

Het volgende voetbaljaar begon op een onheilspellende wijze, want daags na de match tegen Ronse, teisterde een hevige brand de installaties; de tribune en de kleedkamers werden verwoest. De geruchten dat er brandstichting in het spel zou geweest zijn konden niet bewaarheid worden. Oude God-sport stelde spontaan en belangloos zijn installaties ten dienste van Belgica en sommige clubs die in dezelfde afdeling speelden waren akkoord hun matchen tegen Belgica enkele weken uit te stellen. Van diverse zijden kwamen er troost- en hulpmiddelen en na korte tijd herrezen de installaties uit hun puinhopen, mooier en degelijker dan voorheen en meer aangepast aan de moderne tijden.

De jaren vanaf 1925 tot 1938 waren dus de vruchtbaarste voor Belgica met nationale en internationale demensies, met enorme successen, met aan de club toegewijde spelers en met een hoge waardering van de spelers en ook van de supporters voor een bestuur dat ieders vertrouwen genoot en het ook waard was.

Ten gevolge van de mobilisatie voor de tweede wereldoorlog kwam het voetbal opnieuw op een laag pitje te staan maar ondanks deze slechte tijden waren er wekelijks nog 8 elftallen aan de slag in de competitie.

Tot in het seizoen 1942-43 bleef de club in eerste afdeling spelen maar gezien op de laatste plaats geëindigd werd was de degradatie onafwendbaar. Meerdere oorzaken lagen aan de basis van dit tanende succes, tal van spelers waren afwezig door de woedende oorlog, er was een gebrek aan uitrustingen, de angst voor de bezetter en de bombardementen en een nijpend tekort aan versterkend voedsel. Vanaf 1943 werd in bevordering aangetreden met wisselende kansen, meestal eindigde men in de middenmoot maar er werd ook gedaald naar de provinciale reeksen om dan weer kampioen te spelen en terug naar bevordering te stijgen.

In 1958 werd op grootse wijze het 50-jarig bestaan van de club gevierd. Een feestcomité zorgde voor grote bekendheid; de gemeentelijke en geestelijke overheden werden bij de feestelijkheden betrokken, handelaren deden een duit in het zakje en talrijke muziekmaatschappijen van Edegem en om liggende gemeenten waren van de partij toen een grote optocht gehouden werd door de straten van Edegem met vertegenwoordigingen van de tegenstanders van weleer zoals Lierse, Berchem, Standard, Oude-God enz. Op het Belgicaterrein aan de Jan Verbertlei werd een vriendschappelijke wedstrijd gespeeld tussen de twee grootheden van die tijd: Anderlecht en Standard Luik.
Gedurende de zeven seizoenen die volgden op het heuglijke herdenkingsfeest speelde Belgica in de provinciale reeksen. In Edegemse voetbalmiddens werd de vraag gesteld of de club nog ooit hogerop zou geraken en of het ogenblik niet gunstig zou zijn om de twee Edegemse clubs, Belgica en Edegem-Sport, in een fusie te betrekken gezien zij beiden toch in dezelfde reeks aantraden en in feite concurrenten waren. Zij die het meenden te weten oordeelden dat een samensmelting van beide clubs op een gezonde basis tot de mogelijkheden behoorde en de voetbalsport in Edegem zeer nuttig zou kunnen zijn.

Op initiatief van Albert Verbeeck kwamen er inleidende besprekingen tussen de respectievelijke voorzitters A. Hoeyberghs van Edegem-Sport en V. Coveliers van F.C.Belgica. Het gemeentebestuur vertegenwoordigd door toenmalig burgemeester Leo Tindemans en schepen Gust Van Put werd bij de onderhandelingen betrokken en de knelpunten, die er uiteraard onvermijdelijk waren, werden het ene na het andere weggewuifd en met de belofte van Tindemans voor een nieuw voetbalstadion ( het huidige Vic Coveliersstadion) werd de fusie in 1966 een feit onder de benaming KVV Belgica-Edegem-Sport en met A. Hoeyberghs als voorzitter.

In het begin leek het erop alsof de fusie onder een goed gesternte geboren was maar toen na twee jaar de voorzitter zijn ontslag indiende scheen er een veer gebroken te zijn, zowel bij het bestuur als in supportersmiddens. Wij gaan geen schuld leggen bij één of andere partij, maar zoals zo vaak gebeurt bij een fusie tussen verenigingen blijft de vroegere rivaliteit toch ondergronds ergens rommelen.

Albert Verbeeck, die de malaise in de fusieclub met lede ogen aankeek, kreeg heimwee naar de rood-groene kleuren, en op 14 april 1974 werd de nieuwe F.C.Belgica v.z.w. gesticht om aan te sluiten als een zuivere liefhebbersvereniging bij de Koninklijke Katholieke Sportfederatie van België en met als lokaal “Hotel De Basiliek”, Hovestraat 69 te Edegem.

Op 25 oktober 1974 werd Albert Verbeeck tot voorzitter verkozen, geassisteerd door twee ondervoorzitters, Robert Van Gysel en Henri Van Kets. A. Lambreghts werd secretaris, de financies werden toevertrouwd aan Clement Van de Perre terwijl Adelin Anthoni voorzitter werd van de sportraad.

Opnieuw moesten alle waterkens doorzwommen worden, namelijk starten in de laagste afdeling op een gehuurd terrein aan de terelststraat, maar het eerste jaar werden zowel het eerste als het reserveelftal kampioen en werd reeds opnieuw gedacht aan een eigen accommodatie, de nieuwe club toonde meteen zijn ambities. En inderdaad, in 1975 was het eigen veld, gelegen aan de Molenlei, reeds een feit waar men tevens een kantine en kleedkamers neerplaatste, dit alles met eigen middellen en de steun en inzet van enthousiaste medewerkers. Op het sportieve vlak ging alles ook in stijgende lijn en in een mum van tijd klom het fanionelftal naar tweede afdeling. Jaar na jaar werd geëindigd in de bovenste gelederen van de rangschikking, een verdienste van o.a. toenmalig speler-trainer Guy Van Diest die met zijn leidinggevende kwaliteiten de ploeg steeds wist te motiveren om naar best vermogen te presteren. Een eigen jeugdwerking moest de toekomst van de club verzekeren en L. Van den Brande zou jarenlang de sportieve animator van de Belgica-jeugd zijn. 

Jos Marien, van in den beginne secretaris van de sportraad, werd in 1980 secretaris van de bestuursraad, een taak die hij met nooit geziene nauwgezetheid zou uitvoeren tot in 2002.

Op het einde van de jaren tachtig had men af te rekenen met een mindere periode toen opnieuw gedegradeerd werd naar derde afdeling, maar dank zij de inzet van trainer Luc Van Asch kwamen veel nieuwe aanwinsten de rangen versterken en twee jaar later was men alweer actief in tweede.

Op het bestuurlijke vlak kwam ook de nodige opvolging want na het ontslag van R. Van Gysel en C. Van de Perre werd Ronny Jansen in 1988 boekhouder van de club en Mano Coppejans werd een enthousiaste jeugdvoorzitter die de werking op dit vlak sterk wist te verbeteren met o.a. een kampioenstitel voor de juniors. Na het overlijden van A. Verbeeck in december 1993 werd Kamiel Van den Wyngaert verkozen als voorzitter van de raad van bestuur en door nog een sterfgeval, dit van Mano Coppejans, nam Peter Borremans zijn taak over met grootse successen tot gevolg zoals overwinningen in de grote tornooien van KKVS- Gazet van Antwerpen.

Met acht elftallen in competitie werd Belgica al snel als één van de groteren tussen de kleintjes gerekend en verdere sportieve successen bleven niet uit want onder leiding van speler-trainer Marc Jacobs, die van de elftallen ware kameradenploegen wist te maken, eindigde men in 2000 op een tweede plaats in de rangschikking en na een testwedstrijd werd gestegen naar eerste afdeling waar ons eerste elftal in het debuutjaar op een 6de plaats eindigde wat tevens de hoogst behaalbare plaats is sinds het ontstaan in 1974. Na M. Jacobs nam Bart Van Asch de trainersfakkel over. Het lijkt erop alsof de geschiedenis zich herhaalt want het “nieuwe” Belgica stuntte zoals het “oude”, Na degradatie uit eerste afdeling namen we na een schitterende kampioenstitel onmiddellijk onze plaats terug in in 1ste afdeling, doch na een verblijf van één seizoen in deze reeks werd opnieuw gedegradeerd. De jeugdwerking daarentegen zorgde voor een primeur en unicum in het sportverbond: het in competitie brengen van een volledig meisjes-elftal in de miniemen reeks. Ook vermeldenswaard is de jaarlijkse organisatie van een door alle deelnemers zeer gewaardeerd jeugdsportkamp.

In de bestuursrangen werden enkele mandaten gewisseld want na het ontslag van Ronny Jansen nam Davy Ras, kleinzoon van J. Marien, de boekhouding voor zijn rekening en door het ontslag van J. Marien wordt Tom Dierckens, sportsecretaris sinds 2000, de nieuwe secretaris van de raad van bestuur. In 2004 nam Luc Van Asch het voorzitterschap over van Kamiel Van Den Wyngaert, die om persoonlijke redenen een stapje wenste terug te zetten, doch lid bleef van het bestuur.

Onder leiding van trainer Steve Cornille speelde Fc Belgica twee seizoenen in 2de afdeling. Dat laatste seizoen 2005/2006 degradeerde Fc Belgica terug naar 3de afdeling. De cadetten daarentegen wonnen voor het eerst de trofee “Gazet van Antwerpen” wat aanzien mag worden als een bijzondere prestatie. Onze jeugdwerking presteerde het voor het eerst in het bestaan van de club om in alle leeftijdscategorieën aan te treden. Een dames-, senioren- en veteranenploeg vervolledigden Fc Belgica tot een volwaardige club. Anticlimax was echter het overlijden van Adelin Anthoni. Als medestichter en bestuurslid bleef Adelin de club trouw tot aan zijn dood.

Het seizoen 2006/2007 werd een succesvol jaar met 3 kampioenenploegen. Nadat Marc Jacobs de trainersfakkel terug had overgenomen werden onze “fanions” met verpletterend verschil kampioen in 3de afdeling. Alsof dit succes nog niet voldoende was speelde ons dames- en cadettenelftal ook nog eens alle concurrentie weg. Dit jaar werd ook gestart met de sportraad, een nieuw idee, om maandelijks met een vertegenwoordiging van elk elftal te vergaderen. Hiermee werden de verschillende vergaderingen gereduceerd tot één vergadering per maand.

In de overgang naar het seizoen 2007/2008 werd er hard gewerkt aan de verfraaiing van onze accommodatie. Vele leden kwamen hierbij helpen, zodat het resultaat dan ook mocht gezien worden. De oprit werd volledig verhard, de parking bijgewerkt, de kantine kreeg een nieuw laagje verf, kortom onze accommodatie onderging op zeer korte termijn een metamorfose die zowel onze leden als buitenstaanders niet koud lieten. Er werd ook een “pupillenveldje” aangelegd, vooraan naast de parking.

Begin januari 2008 werd een zwarte bladzijde in de geschiedenis van onze club. Bij een raid op het veld van Rapid werden enkele van onze spelers beschuldigd, en geschorst door KVV. Ook Belgica kwam in een zeer slecht daglicht te staan. Wij werden in de media geassocieerd met de baldadigheden. Uiteindelijk sprak KVV Belgica vrij. Een rechtstreeks gevolg van deze vechtpartij is dat er een “Ethische Charter” werd ondertekend door drie verschillende verbonden. Alle clubs werden verplicht dit charter te ondertekenen.
Het eerste elftal eindigde zonder veel “tamtam” halfweg het klassement. De reserven verging het minder goed, zij zakten een reeks.
Het seizoen werd afgesloten met een overweldigend tornooi, niet minder dan 78 ploegen namen deel.


2008 werd vooral getekend door het afscheid van “onze Kamiel”. Na een lange en slepende ziekte moest hij uiteindelijk toegeven aan het onverbiddelijke. Tot de laatste dag heeft Kamiel mee een bepalende rol gespeeld in het beleid van de club. Een groot “Belgicaman” heeft ons veel te vroeg verlaten.

Op sportief vlak stelden we twee uitersten vast, de beide reserveploegen speelden kampioen, maar het eerste elftal ging met de rode lantaarn naar huis en zakte bijgevolg terug naar derde afdeling. Het verblijf in derde zou echter maar van korte duur zijn, want het volgende seizoen promoveerden onze Roodgroenen terug naar tweede afdeling. Alain Aertgeerts, de opvolger van Marc Jacobs loodste zijn ploeg naar een mooie tweede plaats. Belgica stond weer waar ze thuishoorden.

Opmerkelijk was opnieuw het enorme succes van ons tornooi, dat stilaan een begrip wordt in de regio. Dat jaar gingen Marcel en Paula op welverdiende rust. Na tien jaar onvermoeibare inzet in de kantine besloten zij een stapje terug te zetten. Jos Rubbens, reeds zes jaar lid van het bestuur nam in juni het voorzitterschap over van Luc Van Asch.
In september 2010 moesten we andermaal afscheid nemen van een Belgica-icoon. Ex‑secretaris, Jos Mariën verliet ons op 81-jarige leeftijd.

Kamiel
Tom